Meer
Publicatiedatum: 06-11-2019

Inhoud

Programma onderdelen

Programma's Binnenstad, Duurzaamheid, Economie en Veiligheid

Ambitie

In 2016 is gestart met programmatisch werken door het tijdelijk aanstellen van drie programmamanagers (Binnenstad, Economie en Veiligheid). Hiermee hebben we een eerste stap gezet om de maatschappelijke opgaven centraal te stellen. Wij vinden programmamanagement een krachtig instrument, maar een goede evaluatie hiervan is wel belangrijk. Deze evaluatie is nog niet uitgevoerd. Gezien de grote opgaven waar we voor staan, zie beleidsveld 6 en 7, zetten we het programmamanagement voor Binnenstad, Economie en Veiligheid voor 2019 en 2020 voorlopig voort. Ook voegen we nieuw programmamanagement voor Duurzaamheid toe. Daarbij stellen we de voorwaarde dat er na twee jaar, vóór de kadernota 2021, een evaluatie plaatsvindt van het programmamanagement waarin zichtbaarheid, toerusting, inbedding in de organisatie, slagkracht en de behaalde resultaten en effecten belangrijke meetindicatoren zijn. Op basis daarvan besluiten we of het programmamanagement wordt gecontinueerd. Naast een programmamanager heeft elk programma een ontwikkelbudget ter beschikking. Daarnaast is  voor alle vier programma’s een uitvoeringsbudget gereserveerd waaruit de uitvoeringsmaatregelen op basis van concrete plannen kunnen worden gedekt.

Doelstellingen

Programma Binnenstad

  • Een compacter centrum in zowel aanbod als vierkante meters
    • transformatie van ongeveer 10.000 m2 winkelruimte
    • toevoegen van ongeveer 100 woningen in de periode tot 2025
    • leegstand terugdringen naar 5%  in 2025
  • Centrum is een aantrekkelijke plek voor ontmoeting en vermaak
    • imago centrum verbeteren
    • bezoekersaantallen stijgen 
    • uitbreiding boodschappenaanbod in het centrum
    • uitbreiding horeca met 500m2 
    • waardering binnenstad stijgt
  • Verbinden schoen- en lederbedrijven aan de retail- en leisurefunctie in het centrum
    • opening schoen- en ledermuseum in 2021.
52. Winkelvloeroppervlakte leegstand (in m2)

53. Ontwikkeling dagelijks en niet-dagelijks aanbod verkooppunten

Programma Duurzaamheid

  • Waalwijk is uiterlijk 2043 klimaatneutraal
    Bij mitigatie proberen we de klimaatverandering tegen te gaan via de energietransitie uit het landelijk Klimaatakkoord. We richten ons zowel op het opwekken van duurzame energie als het verminderen van het energieverbruik. Deze enorme opgave wordt vanuit het landelijk klimaatakkoord via de provincies en Regionale Energiestrategieën (RES) uitgerold. Wij zullen in 2019 in de regio afspraken maken over de verhouding (wind, zon, geo, bio) waarin wij een bijdrage kunnen leveren aan de regionale doelstelling. Bij adaptatie proberen we onze buitenruimte  aan te passen aan de klimaatverandering zoals hittestress en (regen)waterovervloed.
    • energieverbruik huishoudens, bedrijven en eigen organisatie daalt
    • aandeel duurzame energie stijgt 
    • aandeel verharde oppervlakte in de gemeente daalt 
  • Waalwijk heeft een groene en gezonde leefomgeving
    We werken aan een groene en gezonde leefomgeving omdat dit van invloed is op de gezondheid van onze inwoners en de tevredenheid van de leefomgeving. Onze groene buitenruimte is goed lopend bereikbaar en nodig uit tot bewegen. We werken aan een duurzame mobiliteit. We stimuleren het gebruik van schone voertuigen, de aanleg van comfortabele (snelle) fietspaden. (zie beleidsveld 2 Verkeer, Vervoer en Waterstaat).
    • licht- en geluidshinder neemt niet toe
    • verhogen van de biodiversiteit
    • tegengaan verharde oppervlakte, vergroten groenbeleving
  • We schakelen om naar een circulaire economie
    Waalwijk wordt een economisch systeem dat hergebruik van producten en grondstoffen maximaliseert en waardevernietiging minimaliseert. Dat is een ander economisch systeem dan het huidige lineaire systeem waarin grondstoffen worden omgezet in producten die aan het einde van hun levensduur worden vernietigd. Met onze organisatie en met (koepels van) bedrijven gaan we waar mogelijk gesprekken aan, in het kader van groene ondernemerschap , om gebouwen en (productie) processen circulair in te richten. Initiatieven om bezit te reduceren worden ondersteund, denk hierbij bijvoorbeeld aan deelauto- projecten (Mobility as a Service, MaaS).
    • in 2021 wordt 85% van ons afval hergebruikt
    • maximaal 45kg restafval per inwoner per jaar in 2021


28. Omvang huishoudelijk restafval (in Kg) (BBV)

Niet gescheiden ingezameld huishoudelijk afval.


29. Hernieuwbare elektriciteit (BBV)

37. Elektrische laadpunten en tankpunten

Het aantal elektrische laadpunten en tankpunten voor biobrandstoffen/(groen)gas



60. CO2 uitstoot Waalwijk (in ton)

CO2-uitstoot Gebouwde Omgeving (gas, elektr. en warmte, tier 3/tier 2), CO2-uitstoot Industrie, Energie, Afval en Water (gas en elektr., tier 3), CO2-uitstoot Landbouw, bosbouw en visserij, SBI A (gas, elektr., tier 3)De CO2-uitstoot wordt berekend door de energiedragers (bijvoorbeeld kWh elektriciteit , m3 gas, liters benzine) te vermenigvuldigen met de emissiefactor van die energiedrager. Deze emissiefactoren variëren per jaar, afhankelijk van de brandstofmix van de elektriciteitsproductie, de hoeveelheid bijgemengde biobrandstof en de calorische waarde en koolstofinhoud van aardgas. De bronnen van de verschillende energiedragers en emissiefactoren zijn vermeld bij desbetreffende gegevens.
CO2-uitstoot Verkeer en vervoer incl. auto(snel)wegen, excl. elektr. railverkeer (scope 1, tier 1)De Emissieregistratie levert op basis van emissieberekening per emissieoorzaak een landelijk CO2-emissietotaal op. Deze CO2-emissies worden door de Emissieregistratie ook verdeeld over gemeenten. Om deze verdeling te berekenen selecteert de Emissieregistratie voor elke emissieoorzaak de meest optimale verdeelsleutel. Denk hierbij aan verkeersintensiteit (voertuigkilometers) voor emissies uit wegverkeer. Emissieregistratie publiceert CO2-emissies per gemeente en voor Nederland als geheel en hoeveelheden gebruikte voertuigbrandstof (bijvoorbeeld benzine, diesel, LPG) en energie-inhoud voor Nederland als geheel. Rijkswaterstaat gebruikt gegevens van de Emissieregistratie om het lokale energiegebruik voor verkeer en vervoer (dat niet door de Emissieregistratie zelf gepubliceerd wordt) te bepalen. Rijkswaterstaat berekent hiertoe eerst emissiefactoren en energie-inhouden op basis van: - de totale hoeveelheid gebruikte energie van Nederland per brandstofsoort, zoals gepubliceerd door de Emissieregistratie; - de totale hoeveelheid gebruikte voertuigbrandstof van Nederland per brandstofsoort, zoals gepubliceerd door de Emissieregistratie; - de totale CO2-emissie van Nederland per brandstofsoort, zoals gepubliceerd door de Emissieregistratie. Rijkswaterstaat berekent de emissiefactoren door de CO2-emissie en de hoeveelheid gebruikte voertuigbrandstof op elkaar te delen. Rijkswaterstaat berekent de energieinhoud door de totale hoeveelheid gebruikte energie en de hoeveelheid gebruikte voertuigbrandstof op elkaar te delen. Rijkswaterstaat deelt vervolgens de door de Emissieregistratie gepubliceerde CO2-emissie per gemeente per vervoersmodaliteit (bijvoorbeeld wegverkeer, mobiele werktuigen, binnenvaart) door deze emissiefactoren om te komen tot de hoeveelheden gebruikte voertuigbrandstof per gemeente per vervoersmodaliteit (bijvoorbeeld liters benzine). Daarnaast vermenigvuldigt Rijkswaterstaat de op deze manier verkregen hoeveelheden gebruikte voertuigbrandstof per gemeente met de berekende energie-inhoud om te komen tot de hoeveelheid gebruikte energie (bijvoorbeeld TJ’s energie-inhoud van die benzine) per gemeente per vervoersmodaliteit.


61. Totaal gas en elektriciteitsverbruik woningen (in Tj)

CBS publiceert het gemiddelde gas- en elektriciteitsgebruik van alle woningen (afgerond op 50 eenheden) en het totaal aantal woningen. Rijkswaterstaat bepaalt de totale gas- en elektriciteitsgebruiken door het gemiddelde gebruik van alle woningen te vermenigvuldigen met het totale aantal woningen in de gemeente per 1 januari van een bepaald jaar. Cijfers voor totaal energiegebruik die gebruik maken van “totaal aantal woningen” kunnen om een aantal redenen afwijken van het werkelijke totaal: (1) In het totaal aantal woningen kunnen ook woningen aanwezig zijn die leeg staan. Deze woningen hebben een lager dan gemiddeld energieverbruik en worden dus deels ten onrechte meegeteld in het totaal. Dit aantal leegstaande woningen en hun (lagere) energieverbruik is per gemeente niet bekend. Er kan dus niet voor het lagere energiegebruik van leegstaande woningen worden gecorrigeerd; (2) In het totaal aantal woningen kunnen ook woningen aanwezig zijn die geen aardgas gebruiken, maar bijvoorbeeld propaangas of een warmtepomp. Deze woningen kunnen een ander energieverbruik hebben dan de woningen die aardgas gebruiken, wat kan leiden tot een afwijking naar boven of beneden. Echter, omdat deze woningen wel energie en soms zelfs fossiel gas (maar met een iets andere energie-inhoud dan aardgas) gebruiken, is deze afwijking klein en daardoor minder relevant. Er kan niet voor deze afwijking worden gecorrigeerd, omdat de aantallen woningen en hun alternatieve energiegebruik niet bekend zijn; (3) Gedurende het jaar kunnen woningen worden gebouwd en gesloopt. Deze gegevens worden verwerkt in het woningaantal per 1 januari van het volgende jaar. Gedurende het jaar zijn deze mutaties niet per gemeente bekend; (4) De afronding op 50 eenheden door CB S zelf kan ook leiden ook tot een afwijking van het werkelijke totaal. Voor aardgas is de afrondingsfout in Nederland 1,8 % (afronding op 50 is een maximale afwijking van 25 op een gemiddeld gasverbruik van 1400) , voor elektriciteit 0,8 % (afronding op 50 is een maximale afwijking van 25 op een gemiddeld elektriciteitsgebruik van 3050). Deze afrondingsfout kan per jaar en per gemeente leiden tot een onderschatting of een overschatting. Bovenstaande situaties (1) en (2) kunnen leiden tot een overschatting van het totaalgebruik van met name aardgas. Situatie (1) kan leiden tot een overschatting van het gebruik van elektriciteit. Situatie (2) heeft geen invloed op de berekening van het gebruik van elektriciteit, ervan uitgaande dat praktisch alle bewoonde woningen zijn aangesloten op het elektriciteitsnet en elektriciteit gebruiken en/of uitwisselen met het net, al is het maar voor verlichtingsdoeleinden. Situatie (3) kan leiden tot een onderschatting van het energieverbruik omdat gemiddeld gesproken de woningvoorraad groeit. Netto kan een overschatting van het totaal gasverbruik over blijven van gemiddeld ca. 3 %, volgens CBS. Deze overschatting wisselt per gemeente en is afhankelijk van het aantal leegstaande, nieuwgebouwde en gesloopte woningen gedurende het jaar in die bepaalde gemeente. Voor het elektriciteitsgebruik zijn de over- en onderschatting van gelijke ordegrootte. De berekeningsmethode en de oorzaken van mogelijke onder- en overschatting blijven door de jaren heen gelijk. Ook is er sowieso al een vergelijkbare afrondingsfout in de gepubliceerde gemiddelden aanwezig vanwege situatie (4). Daarom heeft het hanteren van deze berekeningsmethode weinig of geen significante invloed op de gepresenteerde trends in gas- en elektriciteitsgebruik. In het totaal aantal woningen zijn ook woningen aanwezig die geen aardgas gebruiken maar warmte geleverd krijgen via een warmtenet (‘warmtewoningen’). In gemeenten waar warmtewoningen zijn, is dat door CB S al verdisconteerd in het gemiddelde aardgasverbruik van alle woningen. Daardoor leidt dit niet tot een afwijking in de berekende totale gasverbruiken in die gemeenten volgens de methode zoals bovenstaand beschreven. CBS publiceert het percentage warmtewoningen, mits hoger dan 5 % van het totaal aantal woningen in de betreffende gemeente. Dit percentage wordt door CB S afgerond op 1 cijfer achter de komma. Rijkswaterstaat gebruikt dit percentage om het aantal warmtewoningen te berekenen, door dit percentage te vermenigvuldigen met het totaal aantal woningen in die gemeente. Vervolgens trekt Rijkswaterstaat het aantal warmtewoningen vervolgens af van het totaal aantal woningen om een schatting van het aantal gaswoningen op aardgas (‘gaswoningen’) te verkrijgen. Deze schatting van de ‘gaswoningen’ wijkt af van het werkelijke aantal, omdat een gering aantal woningen geen aardgas gebruikt, maar ook geen warmtelevering krijgt. Voorbeelden zijn woningen die propaangas of een warmtepomp gebruiken voor ruimteverwarming. In feite geeft het aftrekken van de warmtewoningen van het totaal aantal woningen, het aantal woningen weer dat geen warmte geleverd krijgt. De afwijking van het daadwerkelijk aantal gaswoningen is naar schatting van Rijkswaterstaat qua ordegrootte vergelijkbaar met de afrondingsfout die al ontstaat door het afronden van het gepubliceerde percentage warmtewoningen op 1 cijfer achter de komma. Daarnaast wijkt de schatting van het aantal gaswoningen af in gemeenten waar het percentage woningen met warmtelevering minder dan 5 % is, omdat in die gemeenten door CB S geen percentage warmtewoningen wordt gepubliceerd. Deze afwijking kan oplopen tot 5 %.



Programma Economie

  • Waalwijk is een regionaal werkgelegenheidscentrum:  
    • werkeloosheidscijfer onder landelijke en Brabants gemiddelde
    • we vergroten uitstroom uit de participatiewet
  • We hebben een aantrekkelijk vestigingsklimaat:
    • Waalwijk blijft een logistieke toplocatie van Nederland
    • we staan structureel in de top 25 van (digitale) dienstverlening van Nederland
    • we zorgen voor voldoende en veilige bedrijventerreinen 
  • Waalwijk is het centrum van de schoen- en lederontwikkeling in Nederland
    • aantrekken nieuwe bedrijven uit de sector
    • de komende coalitieperiode host Waalwijk 1 à 2 (inter)nationale evenementen (schoen- en ledersector) 


54. Vestigingen (per 1.000 inwoners 15-74 jaar)

Het aantal vestigingen van bedrijven, per 1.000 inwoners in de leeftijd van 15-75 jaar.



56. Vestigingen naar soort

Vestigingen Landbouw

Percentage banen uitgesplist naar sector landbouw. Onder een baan wordt een vervulde positie verstaan. Dit betreffen zowel fulltimers, parttimers als uitzendkrachten.


Vestigingen Industrie, Vestigingen Collectieve dienstverlening, Vestigingen Overige dienstverlening

Vestigingen Handel

Percentage banen naar uitgesplitst naar sector handel. Onder een baan wordt een vervulde positie verstaan. Dit betreffen zowel fulltimers, parttimers als uitzendkrachten.


Vestigingen Zakelijke dienstverlening

Percentage banen uitgesplitst naar sector zakelijke dienstverlening. Onder een baan wordt een vervulde positie verstaan. Dit betreffen zowel fulltimers, parttimers als uitzendkrachten.


55. Banen (per 1.000 inwoners 15-74 jaar)

Onder een baan wordt een vervulde positie verstaan. Dit betreffen zowel fulltimers, parttimers als uitzendkrachten. De indicator betreft het aantal banen per 1.000 inwoners in de leeftijd van 15 tot en met 74 jaar.



57. Werkloosheidspercentage

De werkloze beroepsbevolking als percentage van de (werkzame en werkloze) beroepsbevolking. Deze definitie heeft betrekking op personen die in Nederland wonen (exclusief de institutionele bevolking).


Zo gaan we dat doen

Programma Veiligheid

  • We spelen adequaat in op de dynamiek van veiligheid
    Ons veiligheidsbeleid is een dynamisch geheel. Dit betekent dat we altijd inspelen op actualiteiten. Extra aandacht is er voor de in het integraal veiligheidsbeleidsplan 2019-2022 opgenomen prioriteiten:
    • Daling van de overlast
      We acteren op alle vormen van overlast waarbij de leefomgeving van onze inwoners wordt aangetast. Samen met onze partners passen we maatwerk toe omdat elke situatie om zijn eigen aanpak vraagt.
    • Aanpak High Impact Crimes
      Hierbij gaat het om vormen van criminaliteit die veel impact hebben op het veiligheidsgevoel van de betrokkenen. Bijvoorbeeld woninginbraken, overvallen en straatroven.
    • Versterking verbinding zorg en veiligheid
      Door aan de voorkant adequate hulp te bieden wordt zoveel mogelijk voorkomen dat er onveilige situaties ontstaan. We handelen bij voorkeur preventief, maar indien nodig ook repressief. Een goede en snelle samenwerking tussen zorg- en veiligheidspartners is hiervoor essentieel. 
    • Tegen gaan van ondermijning
      Dit beslaat alle vormen van criminaliteit waarbij het gezag wordt aangetast of waarbij sprake is van verwevenheid tussen de onderwereld en bovenwereld. Enkele voorbeelden zijn hennepteelt, handel in harddrugs, criminele motorclubs en witwassen door bijvoorbeeld 'kamergewijze verhuur'.

  • We versterken de maatschappelijke barrière
    We willen onveiligheid voorkomen en bestrijden. We streven naar balans  en samenhang tussen zorg en veiligheid, het één kan immers niet zonder het ander. 

  • We versterken de interne barrière
    Onze informatiepositie moet hiertoe worden versterkt om problemen eerder te onderkennen en adequater te kunnen werken. Als overheid geven we ruimte om te ondernemen, maar we zijn daarin niet naïef en integer. Publieksdienaren moeten hun werk altijd veilig kunnen doen en daarom streven we naar een 100% Veilige Publieke Taak.

  • Veiligheid is van ons allemaal
    Veiligheid creëren we bovendien niet alleen, maar we doen dit samen met onze inwoners en bedrijven. Zo mogelijk ontdekken we vroegtijdig problematiek bij jeugd en bij gezinnen en we spelen daar snel op in om erger te voorkomen. 
58. Aantal High Impact Crimes