Paragraaf Financiering (en treasury)

Paragraaf Financiering (en treasury)

Terug naar navigatie - Paragraaf Financiering (en treasury)

De treasuryfunctie ondersteunt de uitvoering van de programma's. Treasury gaat over de financiering van beleid en het aantrekken van het geld dat daarvoor nodig is.

 

1. Algemene ontwikkelingen
Het proces van economisch herstel in de eurozone was in de afgelopen jaren broos en is nu breed gedragen en sterk. De economische vooruitzichten worden steeds beter. De ECB heeft het monetaire beleid aangepast. De maandelijkse opkoopprogramma’s worden geleidelijk aan afgebouwd. Naar verwachting wordt het per 1 januari 2019 beëindigd. Omdat de doelstelling om in het kader van de prijsstabiliteit voor de middellange termijn een inflatie te realiseren van rond de 2% ook binnen bereik komt, is een aankondiging gedaan om geleidelijk aan de rente te gaan ophogen. De ECB-president heeft daarbij wel aangegeven, dat de beleidsrente “minstens tot en met de zomer” van 2019 ongewijzigd zal blijven.

De Europese Centrale Bank heeft daarom besloten om de rente waartegen banken kunnen lenen te handhaven op het historisch lage niveau van 0% en de rentevergoeding op tegoeden die banken bij de ECB aanhouden eveneens te handhaven -0,4%.

De Nederlandse overheid en daarmee de decentrale overheden profiteren eveneens van deze lage rente. In augustus 2018 waren de tarieven voor 1-maands kasgeld -0,4% en voor rekening-courant krediet 0,35%. Voor 10-jaars leningen liggen de tarieven onder de 1%. Kort financieren blijft voorlopig dus zeer aantrekkelijk.

 

2. Financieringsbehoefte en leningenportefeuille
We hebben de liquiditeitsplanning bijgesteld. Dat hebben we onder andere gedaan aan de hand van het overzicht met de kasstromen van het grondbedrijf zoals dat voortvloeit uit de laatste nota grondexploitatie.

De volgende tabel laat de verwachte financieringsbehoefte in de jaren 2019 tot en met 2022 zien. Omdat de financieringsbehoefte in de jaren 2019 en 2020 aanzienlijk hoger is dan het bedrag aan jaarlijkse aflossing op leningen neemt onze totale schuld in die jaren toe. Daarna is sprake van het omgekeerde effect en neemt de totale schuld af. Dat is terug te zien in de tweede tabel.

Een kanttekening hierbij is dat de financieringsbehoefte sterk afhangt van de grondexploitatie, in het bijzonder van de grondverkopen. Bij vertraging in de geraamde verkopen neemt de financieringsbehoefte meer toe dan de tabel laat zien. Daarnaast hebben we inschattingen van het investeringsvolume, die in werkelijkheid kunnen afwijken. We blijven de ontwikkelingen volgen. Beslissingen over investeringen verwerken we in het totaalbeeld.


Liquiditeitsplanning op basis van de situatie per 1 augustus 2018
Hierbij is rekening gehouden met de projecten Gebiedsontsluiting Oostelijke Langstraat (GOL), het nieuwe schoenenmuseum en de insteekhaven.

Bedragen x € 1.000

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

Exploitatierekening

 

 

 

 

Investeringen

30.100

15.600

-2.700

-5.400

Grondexploitatie

-13.700

-4.800

-10.300

-1.300

Aflossing leningen

18.100

16.200

14.500

12.500

Financieringsbehoefte

34.500

27.000

1.500

5.800

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schuldpositie

Bedragen x € 1.000

Omschrijving

2019

2020

2021

2022

Totale schuld (= langlopende leningen en kasgeld)

193.000

204.000

191.000

184.000

 

3. Rente
De gewijzigde BBV-voorschriften schrijven voor dat we inzicht geven in de rentelasten, het renteresultaat, de financieringsbehoefte en de manier waarop we rente aan investeringen, grondexploitaties en taakvelden toerekenen.

 

Berekening renteomslag

Bedragen x € 1

Financieringspositie
Bezit Vermogen
  2018 2019   2018 2019
Activa integraal gefinancieerd

245.658.695

240.769.236

Eigen vermogen

74.440.717

79.678.132

Activa project gefinancieerd

21.072.376

19.543.761

Voorzieningen

7.485.478

8.509.118

Grondexploitatie

26.326.645

20.828.525

Geldleningen

211.131.520

192.954.273

Totaal

293.057.715

281.141.523

Totaal

293.057.715

281.141.523

 

Activa - 2019 Schuld - 2019
  Boekwaarde Rente   Leningen Rente
Totaal activa  281.141.523   Totaal staat E 160.954.456 3.695.238
Project gefinancierd     Transitorische rente   -209.028
Ontsluiting weg Spranckelaer (begrotingswijziging 2015/005) -289.687 -4.345 Financieringstekort 31.999.817 429.997
Leningen woningbouw -9.817.080 -267.684      
Wilem van Oranje college lening -9.419.297 -141.289      
Hypotheken ambtenaren -17.747 -1.208      
Grondexploitatie (totaal van complexen) -20.828.525 -281.975      
Integraal gefinancierd 240.769.236   Totaal 192.954.273 3.914.207
Renteposten Rentetoerekening
Externe rente 3.645.315 a. Externe rentelasten 3.914.207
Percentage externe rente 1.89% b. Externe rentebaten -268.892
Rente eigen vermogen n.v.t. Totaal door te rekenen externe rente 3.645.315
Rente percentage grondexploitaties 1.35% c. Rentelasten grondexploitatie -281.975
Rente grondexploitaties 281.975 c. Rentelasten projectfinanciering -145.634
Percentage activa projectgefinancierd diversen Saldo door te rekenen externe rente 3.217.706
Rente activa projectgefinancierd -145.634 d. Rente over eigen vermogen n.v.t.
Rente % voorzieningen op contante waarde 2.00% d. Rente over voorzieningen (CW) 0
Rente voorzieningen contante waarde 0 Rente toe te rekenen aan taakvelden 3.217.706
    e. De aan taakvelden toegerekende rente 3.611.539
    f. Rente resultaat op taakveld treasury 393.833
       
    Integraal gefinancierde activa 240.769.236
    Rente omslag percentage 1.34%
    Rente omslag percentage afgerond 1.50%
    Percentage te veel verdeelde rente 0.16%
    Te veel verdeelde rente 393.833

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De omslagrente hebben we naar boven afgerond en vastgesteld op 1,5%. Bij de verdeling van de externe rente naar de verschillende taakvelden ontstaat een positief exploitatieresultaat van € 393.800 op de activiteit kapitaallasten. Dit rentevoordeel is als voordeel opgenomen binnen deze programmabegroting.

4. Kasgeldlimiet
De kasgeldlimiet is het maximum aan gemiddelde netto vlottende schuld dat een gemeente in een kwartaal mag hebben. Bij netto vlottende schuld gaat het om financieringen met een looptijd korter dan 1 jaar.
De minister heeft de kasgeldlimiet op 8,5% van het begrotingstotaal vastgesteld. Voor Waalwijk is dat in 2019 afgerond € 10 miljoen. In de huidige markt kunnen we optimaal profiteren van het renteverschil met lang geld door maximaal gebruik te maken van de kasgeldlimiet.

5. Renterisiconorm
Bij het bepalen van de duur van de geldleningen die we aantrekken moeten we rekening houden met de renterisiconorm die in de Wet Fido wordt voorgeschreven. De renterisiconorm heeft als doel om het renterisico bij herfinanciering van langlopende geldleningen te beheersen. Het renterisico wordt daarbij bepaald als de som van de renteherzieningen en de aflossingen. Het is van belang dat renteherzieningen en aflossingen in de tijd gespreid zijn. De renterisiconorm is vastgesteld op 20% van het begrotingstotaal. Dat is voor Waalwijk in 2019 afgerond € 25 miljoen. Dit is het bedrag dat we in 1 jaar maximaal mogen herfinancieren op langlopende leningen.

6. Schatkistbankieren
Schatkistbankieren houdt in dat tegoeden van decentrale overheden worden aangehouden in de Nederlandse schatkist. Hierdoor hoeft het Rijk minder geld te lenen op de financiële markten en zal de staatsschuld dalen.
Op basis van ons begrotingstotaal 2019 mogen we per dag afgerond maximaal € 1 miljoen (0,75% van begrotingstotaal) aan overtollige middelen aanhouden. Het eventuele meerdere aan overtollige middelen romen we dagelijks af en brengen we onder bij de Nederlandse schatkist. Hiervoor krijgen we een vergoeding die gelijk is aan de rente die het Rijk betaalt op leningen die ze op de markt aangaat.

7. Wet HOF / EMU-saldo
Het doel van de Wet HOF is er voor te zorgen dat Nederland voldoet aan de binnen Europa afgesproken norm van maximaal 3% tekort op de begroting. De 3%-norm is daarbij door vertaald naar een aandeel voor de decentrale overheden. Het Rijk hanteert een zogenaamde 'macronorm' voor de drie decentrale overheden gezamenlijk.
Voor het kabinet is er geen aanleiding om in te zoomen op sectoren (en dus ook niet op individuele overheden) zolang de norm voor de decentrale overheden als geheel niet wordt overschreden. Daarom worden er geen referentiewaarden meer voor individuele overheden bepaald, in tegenstelling tot de jaren tot en met 2015.
De huidige EMU-tekortruimte voor gemeenten is de afgelopen jaren gekrompen van 0,5% in 2015 tot 0,3% van het Bruto Binnenlands Product (BBP) met ingang van 2017. Het kabinet heeft bevestigd dat de decentrale overheden hun geplande investeringen gewoon kunnen uitvoeren.